Er was een land hier niet zo gek ver vandaan: het Land van Geluk. Geluk was een kleine reus die 's winters gonzend snurkte en daarmee al de mompelende oranje kabouters die op zijn hoofd woonden hun paddestoelen inblies. De golvende grijze haren van Geluk belemmerden de kabouters het zicht op de zon, waardoor ze uit ellende onder grote lichtbakken gingen liggen. Zo lang dat ze een oranje gloed over hun appelwangen kregen en er langzaam in gingen geloven dat het de echte zon was die hen van die gloed had voorzien.
In dat land woonde Lille Pies. Ze was even groot als de andere kabouters, was even dol op het fietsen over de heuvelneus van de reus, maar was toch anders. Ze had bijvoorbeeld geen lichtbak, dus gaf zelf een beetje licht wanneer ze over straat liep en groette dan elke passerende oranje kabouter. Die vonden dat eigenlijk heel vreemd, maar glimlachten toch altijd vriendelijk terug.
Elke ochtend maakte Lille Pies een praatje met Bøøm: een grote, vriendelijke eik van 857 jaar oud die altijd in gewichtige mompelvolzinnen sprak. Bøøm en Lille Pies begrepen elkaar, want ook Bøøm had het niet zo op lichtbakken en zijn wortels reikten tot in de tenen van reus Geluk; de regio waar Lille Pies vandaan kwam. Samen filosofeerden ze een beetje over het leven, terwijl ze kopjes groene thee dronken.
Op een dag vroeg Lille Pies aan Bøøm: 'Zeg Bøøm, jij staat hier nu al 857 en een half jaar. Is dat niet een beetje saai? Zou je nu nooit eens een reis willen maken?' Bøøm keek Lille Pies ernstig aan. 'Lille Pies. Als je wortels tot in de tenen van Geluk reiken en je bladeren boven zijn golvende, grijze haardos uitgroeien, dan hoef je niet te reizen. Dan ben je er al.'
Lille Pies snapte eigenlijk niet wat Bøøm bedoelde, maar omdat hij er zo ernstig bij keek, zei ze niets terug en nam ze een slok van haar thee (dit keer Chai Latte). Bøøm vervolgde mompelend: 'Waarschijnlijk gaan mijn woorden jouw verstand te boven. Doe zoals ik en je zult begrijpen wat ik bedoel.'
Dus ging Lille Pies op een been staan, liet haar tenen wortels worden en haar vingers groeien als takken. Even begreep ze wat Bøøm bedoelde en verscheen er een glimlach op haar gezicht. Toen kiepte ze om en viel ze op haar kont.
